In coronatijden ontstaan ook bijzondere vaarwelmomenten. Denk aan ‘Adieu’, een reeks poëzieconcerten op Gentse begraafplaatsen met Gaea Schoeters als curator. Haar jongste boek heet ‘(N)Iets’, waarin een hond en kat zich afvragen of er nu nog iets of niets komt. Waarom kiest Gaea Schoeters voor deze thema’s?
Tekst Dominique Piedfort
Foto © Van Malleghem
“Gelukkig word ik enkel op professioneel gebied achtervolgd door de dood. Voor ‘De Standaard der letteren’ heb ik samen met collega Katrien Steyaert een reeks gemaakt. Schrijvers komen daarin aan het woord over de dood. Wat doet dat besef van eindigheid met je, als kunstenaar? Hoe denk je dan na over het leven? Daarvan hebben we het boek gemaakt ‘Het einde – en hoe het te overleven’ (verschenen bij Polis/Pelckmans, met prachtige illustraties van JeRoen Murré). Want hoe overleven in dat bewustzijn dat we allemaal gaan sterven? Dat weten we al vrij vroeg. Welke dingen maken dat bewustzijn dan draaglijk?
Kort daarna kwam corona. Ik was toen al begonnen met voorlezen. Ik wilde geen thema’s kiezen die over de dood gaan. Ik begon gewoon aan de eerste pagina van een boek. Plots ging ook de hele cultuursector dicht, alles viel weg. Na ongeveer twee maanden lockdown maakte ik weer een concert mee, een livestream van een koor dat zong met mondmaskers op. Ik hoorde stemmen uit lichamen die in mijn lichaam binnenkwamen. Dat was zo’n intense ervaring. Wat later overleed de vader van een vriendin. Op de doodsbrief stond geen datum voor een uitvaartmoment. Ook dat had een impact. De combinatie van die dingen heeft dan geleid tot ‘Adieu’.
‘1,2, 3 piano’ is een project dat in Gent piano’s in het straatbeeld brengt. Iedereen mag daar dan afwisselend op spelen, wat voor verbinding zorgt. Maar ook dat kon niet meer doorgaan door alle coronamaatregelen. Waarom konden we niet samen voor vaarwelmomenten zorgen? Een concert in openlucht, met poëzie, coronaproof op begraafplaatsen. Zo is ‘Adieu’ begonnen. Ik vond de directheid zo mooi. Een keer regende het en het bleef maar regenen, de mensen bleven wel allemaal zitten. Dat was puur, het artificiële viel helemaal weg. Het zorgde voor de meest ontroerende momenten die ik ooit meemaakte. Deze zomer is er geen nieuwe Adieu gepland, maar we maakten van de eerste editie wel een cd (verschenen bij het Poëziecentrum).
Elke ‘Adieu’ was wellicht anders. En elke schrijver kijkt anders anders tegen het einde aan. Of kon Gaea Schoeters toch parallellen trekken?
“Wat mij opviel is het anders zijn in het bekijken van de dood. Bij jonge mensen is er de overmoed of de desinteresse, tenzij ze van heel nabij geconfronteerd geweest zijn met de dood. Op middelbare leeftijd is er de haast en de onrust, je voelt op die leeftijd de klok tikken. Bij echt oude mensen is er bijna een vriendschappelijke verhouding. De dood en ik, we zijn er allebei. We vinden wel een manier om met elkaar om te gaan, zoiets ongeveer. Al zijn er altijd die verzetten tegen hun sterfelijkheid, zoals Elias Canetti, wat meer een kwestie is van temperament. De schrijver Harry Mulisch zei ooit dat iemand nog altijd moest bewijzen dat hij sterfelijk was. Dat is ondertussen wel geschied.”
Naast ‘Adieu’ was er recent nog het kinderboek (N)Iets. Is er iets of niets? Heeft dat misschien met het hiernamaals te maken?
“Het heeft er op zich niets mee te maken en tegelijk weer wel. Is er in het niets toch iets? Wat gebeurt er met ons na de dood. Die vraag komt bijna altijd bij iedereen terug. Ik herinner me dat nog uit mijn kindertijd. Wat gebeurt er als het licht uitgaat? Het is des mensen om met die vragen bezig te zijn. In het boek gaat het over een kat en een hond. De kat is van het realistische type. Die denkt dat er niets is. De hond denkt daar meestal anders over. Die vindt dat in niets net alles nog kan, en niets dus eigenlijk veel meer is dan iets. Daar komen de hele tijd woordspelletjes van. Ideaal voor kinderen, want die denken op een heel vrije manier over iets en niets, veel vrijer dan mensen die ouder zijn. Zoals mensen vaak verschillend naar de dingen kijken. De ene is zich al heel vroeg bewust van onze eindigheid. De andere verneemt van de grootouders dat ze er op een dag niet meer zullen zijn en wordt dan kwaad. Hoezo? Dat vertel je me nu pas…”
Schrijvers leven in zekere zin altijd voort. Wie schrijft die blijft, zegt het cliché. “Hoeveel schrijvers doen het voor de eeuwigheid, en wie schrijft er voor de dag van nu? Vooral de jonge schrijvers zeggen dat ze voor vandaag schrijven. Andere schrijvers willen net deel uitmaken van die doorgaande lijn die de canon is. Maar welke hedendaagse Nederlandstalige auteurs zullen binnen 400 jaar niet vergeten zijn? Dat is nu eenmaal de realiteit. Je mag tegenwoordig al blij zijn dat jouw boek langer dan een maand in de boekhandel ligt. (lacht) Maar volgens mij willen alle schrijvers diep in hun hart toch iets achterlaten, of het nu voor hun naasten of voor de wereld is… die kleine of grote onsterfelijkheid, daar dromen we allemaal van.”